Wil de bestuurder van de citroën zich melden?
07-10-2021 - 08:36
Ik ben gespreksleider op het Alzheimer Café. De eerste bezoekers druppelen binnen in het restaurant van het verpleeghuis, ze zoeken een plek en krijgen een kop koffie. Vanuit mijn ooghoek zie ik tot mijn verrassing meneer Smit, een cliënt, door de sluisdeur naar binnen komen. Ik herken hem direct: lang, sportieve uitstraling, kalend hoofd. Hij heeft een documentenmap bij zich. Hij loopt de verkeerde kant op en ik snel naar hem toe: “Hallo meneer Smit, wat leuk dat u gekomen bent!”. Hij kijkt me wat verwilderd aan, maar laat zich gewillig meevoeren naar de garderobe, waar hij zijn jas aan de kapstok hangt.
In het restaurant zoek ik een rustige tafel waar ik met hem kan zitten. Ondertussen heeft hij me al van alles verteld, druk pratend, maar het is een onsamenhangend verhaal en ik begrijp er weinig van. Hij opent de documentenmap zonder duidelijke reden; ik zie dat er allerlei formulieren in zitten betreffende zijn zorgverzekering en berichten over zijn binnenkort verlopen rijbewijs.
Dan wordt er een bericht omgeroepen: “Wil de bestuurder van de Citroën zich melden? De auto blokkeert de rijweg”. Meneer Smit luistert, lijkt zich even te bedenken en zegt dan tegen mij: “Dat is geloof ik mijn auto”. Ik loop met hem mee naar buiten en inderdaad: zijn auto staat op de doorgaande weg voor het verpleeghuis, vlak bij de ingang. Ik stap naast hem in de auto en help hem om een vrije parkeerplaats te zoeken.
Als we terug zijn in het restaurant is het tijd voor mij om de avond te openen. Mijn plaats aan het tafeltje waar meneer Smit zit wordt ingenomen door een collega, daar ben ik blij om. Ik zie dat ze de rest van de avond regelmatig in gesprek zijn. In de pauze word ik aangesproken door een welzijnsmedewerker: “Weet je dat de man van de verkeerd geparkeerde auto vanmiddag in het Buurtcentrum was? Hij maakte een verwarde indruk en hij had dezelfde documentenmap bij zich.”
Als de avond is afgelopen ga ik ga naar meneer Smit toe en vraag of ik hem even naar zijn auto mag brengen. In eerste instantie wimpelt hij dit af, maar als ik aan blijf dringen staat hij dit toe. We gaan naar de garderobe, de heer trekt zijn jas aan. Als we buiten zijn blijkt het te regenen. Meneer Smit zegt: “Je wordt nat”, slaat zijn arm om me heen en drukt me tegen zich aan. Het ontroert me. Het is bijzonder, dit contact tussen ons; deze leuke, charmante, belezen man, waar ik op gesteld bent geraakt in de tijd dat ik als dementieverpleegkundige bij hem betrokken ben, maar die ook in rap tempo de grip op de werkelijkheid verliest. Iemand ook waar ik me erge zorgen om maak. Bij de auto aangekomen neemt hij afscheid van me door me te omhelzen. Hij stapt in de auto, rijdt weg in de donkere nacht en ik kijk hem na: de lichten van zijn auto zijn niet aan…
Vanwege privacy redenen is in dit artikel niet de echte naam van meneer Smit gebruikt