Verdriet met aardbeien
14-10-2021 - 07:30
Op een maandagmiddag loop ik ’s middags om 15.00 uur langs het vrijstaande huis van mevrouw Bakker (74 jaar) naar de achterdeur, zoals ik gewend ben. Maar ze heeft me zien aankomen en roept me terug vanuit de voordeur. Ik heb haar een half uur eerder gebeld; ‘komt het uit als ik even langskom?’. Het betreft een nazorg gesprek; haar man is in maart overleden, tijdens een logeerweekend in de kleinschalige woonvorm in het dorp waar het echtpaar woont.
Ik loop achter haar aan door de hal naar de huiskamer. Op het aanrecht staat een vergiet met aardbeien, vast en zeker uit de moestuin achter het huis. De indeling van de huiskamer is veranderd; het bed waar meneer af en toe op ging liggen is verdwenen en de keukentafel is iets verplaatst. Ik open het gesprek: “Hoe gaat het met u?”. Ze antwoordt in het Gronings en vertelt me dat ze haar man zo mist: “Elke avond ga ik huilend naar bed en sta ik huilend weer op”. En dan komen de vragen zoals ze me die het afgelopen jaar bij elk bezoek heeft gesteld: “Waarom moet mij dit overkomen? Waar heb ik dit aan verdiend?” Ik weet waar ze het over heeft, want naast het langdurige ziekbed van haar man staat haar leven in het teken van het verlies van één van haar twee zonen. Een verlies waar ze nooit overheen is gekomen. Het zijn vragen waar ik geen antwoord op heb.
We komen in gesprek over de laatste maanden van het leven van haar man en tot mijn verbazing vraagt ze: “Waarom moest mijn man logeren bij het zorghuis? Het ging toch prima thuis?” Is ze dan helemaal vergeten hoe zwaar het voor haar was? Ze moest haar man constant in de gaten houden omdat hij regelmatig viel, en ze was doodmoe door de gestoorde nachtrust omdat haar man midden in de nacht wakker werd en haar dan niet herkende. Ook het overlijden van haar man was voor haar blijkbaar volkomen onverwacht.
We praten over haar huidige leven. Mevrouw vertelt dat ze weinig mensen ziet, ze vindt het fijn als er bezoek komt maar gaat niet zelf bij anderen op visite. Als ik vraag waarom, legt ze uit dat haar kennissen allemaal echtparen zijn, die zitten volgens haar toch niet op een vrouw alleen te wachten? Wandelen of fietsen doet ze ook niet, want dan ziet iedereen dat ze alleen is. Dat wil ze niet. Geboren en opgegroeid als dochter van de dorpswinkelier is ze gewend om ‘de vuile was binnen te houden’, zich netjes te gedragen en niet op te vallen.
Bij het afscheid loopt ze naar het aanrecht en vult een plastic margarinebakje met aardbeien: “Ik zag wel hoe je er naar keek. Wil je de moestuin nog even zien?”
De moestuin staat er prachtig bij. De bladeren van de stokbonen slingeren zich langs de stokken omhoog, de slakroppen zijn plukrijp en de goudsbloemen geven de tuin kleur. De aarde van de moestuin is zwart; er is geen onkruidje te zien. De komende dagen eet ik ‘s ochtends kwark met aardbeien; ze smaken heerlijk!
Vanwege privacy is in dit artikel niet de echte naam van mevrouw gebruikt.