Een bezorgde dochter

23-09-2021 - 06:00

Precies om 10.30 uur druk ik op de buitenbel van de portiekwoning van mevrouw Visser, de 86-jarige weduwe waar ik sinds kort bij betrokken ben. De deur zwaait zonder reactie open; als ik de zes treden naar boven ga zie ik dat een onbekende vrouw in de deuropening staat. Ze stelt zich voor als de dochter van mevrouw Visser. In de huiskamer tref ik ook de wijkverpleegkundige aan. Mevrouw Visser zit op haar vaste plek bij het raam met uitzicht op de drukke straat. Moeizaam rijst ze op uit haar stoel; ja, ze herkent me nog als de ouderenverpleegkundige die vorige week langskwam voor een kennismakingsbezoek.

Ik vertel aan mevrouw dat we bij elkaar zijn op verzoek van haar dochter om te spreken over haar toekomst. Op dit moment logeert haar onlangs gescheiden zoon nog bij haar, maar binnenkort gaat hij samenwonen met zijn nieuwe vriendin. Haar dochter is van mening dat haar broer nu zorgt voor de noodzakelijke regelmaat en houvast voor moeder, maar hoe moet het straks als hij er niet meer woont? Zou het niet beter zijn als hun moeder zou verhuizen naar het verpleeghuis? Mevrouw herkent de zorgen van haar dochter totaal niet, alles gaat toch goed? Laat haar nou maar lekker in haar eigen, vertrouwde omgeving.

Haar zoon gaat ’s ochtends heel vroeg de deur uit. Als hij terugkomt eten ze samen. Daarna trekt hij zich terug op de logeerkamer, dus zoveel contact is er niet. Terwijl ze vertelt maakt de dochter non-verbaal aan mij duidelijk dat dit verhaal niet klopt; ze rolt met haar ogen, schudt haar hoofd en komt ook tussenbeide met de opmerking: “Het klopt niet, moeder bagatelliseert altijd alles". Ik zeg tegen mevrouw dat ik voor een deel de zorgen van haar dochter wel begrijp, want ze heeft een akelige hersenziekte waardoor haar geheugen niet meer zo goed werkt en ze wel wat hulp en steun nodig heeft. Mevrouw reageert verbaasd: “Ik? Een hersenziekte? Dementie? Daar weet ik niets van. Alles gaat hier goed, hoe kan het dan dat ik daar niets van merk?”. Ik antwoord dat ik blij ben dat ze hier zo weinig last van heeft, maar geef ook aan dat ze soms vergeet haar medicijnen in te nemen en dat daarom de wijkverpleging twee keer per dag bij haar komt. Mevrouw blijft bij haar opvatting dat alles goed gaat, maar haar dochter reageert steeds geïrriteerder en zegt op een gegeven moment tegen haar moeder: “Besef je wel wat je ons hiermee aandoet?”, waarop mevrouw reageert met: “Dan hoeft het voor mij niet meer, zet me dan maar bij het grofvuil". De wijkverpleegkundige wendt zich begripvol tot mevrouw en probeert haar bij te staan in haar gevoelens van onmacht, de oude dame laat zich door haar troosten.

Ik besluit het overleg af te ronden. De verschillende gezichtspunten zijn duidelijk en het gesprek vervolgen is te belastend voor mevrouw. Ik zeg tegen de dochter dat ik haar graag binnenkort alleen wil spreken en dat ik daarvoor telefonisch contact met haar op zal nemen. Aan mevrouw vraag ik of ik nog eens terug mag komen. Ik zie tot mijn geruststelling dat mevrouw al weer haar oude, vriendelijke, zelf is, grote kans dat ze wat zojuist gebeurd is straks totaal is vergeten.

Samen met de wijkverpleegkundige daal ik de trap weer af. En ik constateer bij mezelf dat er een belangrijke taak voor me ligt: de dochter ondersteunen in het omgaan met het gedrag van haar moeder, waardoor ze zich beter in haar kan verplaatsen en haar zorgen een meer liefdevol karakter krijgen.

Vanwege privacy is in dit artikel niet de echte naam van mevrouw Visser gebruikt