“De brandende kwestie van een brandwond”
22-07-2021 - 09:41
Wilma Koops is regisserend wijkverpleegkundige bij TSN in Almelo en schrijft over haar ervaringen. Deze keer gaat de blog over wondzorg.
Ik ga langs bij mevrouw Hendriksen; een bezige bij die graag in haar moestuin werkt. “Ik was jam aan het maken en toen ging het mis”, vertelt ze me. Ze laat me in de schuur de potjes jam zien. Van appel, rabarber tot aardbei en zwarte bes. Een mooi gezicht al die verschillende kleuren, allemaal in mooie potjes op een rij boven op de plank; wel een stuk of 50 tel ik er. “Ik had de vruchten gekookt, wou het sap ervan afgieten en toen ging het net gekookte vocht over mijn hand heen. Pijn voelde ik eigenlijk niet, maar ik schrok enorm! Ik deed meteen mijn hand onder de koude kraan; nu weet ik dat dat fout was! Vervolgens deed ik een pleister over de huid tussen duim en wijsvinger heen en ging meteen naar huisartsenpost.”
Vandaag kom ik kijken of de brandwond zover genezen is, dat we de zorg kunnen stoppen. Mevrouw Hendriksen gaat verder met haar verhaal: “Die pleister was natuurlijk ook geen goed idee; de huid trokken we er helemaal mee af. Er zat een tweedegraads brandwond onder.” Het is nu drie weken geleden dat we de wondzorg bij haar startten en dat we in het begin dagelijks langskwamen om flammazinezalf te smeren. Deze zalf voorkomt infecties, en met een zalfgaas eroverheen wat niet aan de wond plakt en een verbandje ter bescherming, was de behandeling ingezet. “Wel fijn hoor dat jullie kwamen, maar gelukkig gaat het steeds beter.” Ik haal het verbandje eraf en zie een gave roze huid die dicht zit en mooi herstellende is. Naar mijn idee kan inderdaad de zorg gestopt worden. “Oeh dat vind ik nog wel een beetje spannend”, zegt mevrouw Hendriksen ietwat onzeker. Ik begrijp dat het voor haar spannend is geweest om dit mee te moeten maken en daarom bedenk ik toch nog een tussenoplossing. “Als we nu afspreken dat ik over twee dagen nog een keer terugkom en dat in de tussentijd de hand niet meer verbonden wordt? Dan kan het aan de lucht drogen en ga ik over twee dagen kijken of de huid er nog steeds net zo mooi uit ziet als nu.” Dat vindt ze een goed plan.
Ondertussen vertelt ze enthousiast over de boontjes die ze de afgelopen dagen geplukt heeft en over het snoeien van de rozenstruik wat eigenlijk nog wel op het programma staat. Ik geef aan dat ze nog wel een beetje voorzichtig moet doen met haar hand omdat de huid nog wel kwetsbaar is. Haar man, die de afgelopen weken goed geholpen heeft in het huishouden en in de tuin, zegt: “Dat kan ik ook wel doen hoor.” Mevrouw Hendriksen begint vriendelijk te glimlachen: “Maar ik kan het gewoon beter” knipoogt ze naar me en haar man beaamt dat: “Ik heb er inderdaad wat minder geduld mee”. Voordat ze haar hand open gaat halen aan de doornen van de rozenstruik, probeer ik, zonder verstand van tuinieren, aan te geven dat het snoeien vast nog wel even kan wachten. “Tuurlijk, dat is geen brandende kwestie hoor”, vertelt ze. Met een brede grijns ga ik verder op mijn route.